Waardeer het. Repareer het

Prinsjesdag bracht ook dit jaar goed nieuws voor Defensie, met het lang verwachte extra geld voor onder meer personeel, groot onderhoud aan de luchtverdedigings- en commandofregatten, ondersteuning en inzetbaarheid van special operations forces en meer F-35’s. Repareren, herstellen en moderniseren zijn de termen die de minister hiervoor hanteert. Al kwam er dan geld bij, Nederland blijft met 1,35 procent onder de NAVO-norm van 2 procent van het bbp voor defensieuitgaven.

Naast alle financiële plannen was er een opmerkelijke wijziging in hoofdstuk X van de Rijksbegroting 2020 rond de benamingen van de beleidsartikelen van de krijgsmachtdelen. Op pagina 7 van de Memorie van toelichting zegt de minister dat voor de defensieonderdelen de benamingen van de beleidsartikelen in lijn zijn gebracht ‘met de communicatie-uitingen van Defensie, taakuitvoering zeestrijdkrachten is bv. veranderd in Koninklijke Marine’.[1] Een kleine wijziging, maar toch de moeite waard om even bij stil te staan.  

Na een afwezigheid van veertien jaar zijn de Koninklijke Marine, Koninklijke Landmacht, Koninklijke Luchtmacht en Koninklijke Marechaussee weer terug als naamdrager van een eigen beleidsartikel in hoofdstuk X van de Rijksbegroting. Met ingang van de begroting 2006 was de benaming van die beleidsartikelen gewijzigd in Commando Zeestrijdkrachten (CZSK), Commando Landstrijdkrachten (CLAS) en Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK). Het beleidsartikel Koninklijke Marechaussee kon wel blijven voortbestaan, al werd ook dat defensieonderdeel gereduceerd tot een commando. Met ingang van de begroting 2013 werden de beleidsartikelen omgedoopt tot ‘Taakuitvoering zeestrijdkrachten respectievelijk landstrijdkrachten, luchtstrijdkrachten en marechaussee’.

Dat het in 2005 om meer dan slechts een naamswijziging van een artikel uit de begroting ging blijkt uit het – ook in 2005 gewijzigde – Algemeen Organisatiebesluit Defensie (AOD). Daarmee was het definitief gedaan met de formele status van de koninklijke defensieonderdelen. De namen KM, KL, KLu en KMar, die in de periode na WO 2 binnen en buiten de defensieorganisatie algemeen ingeburgerd waren en vast verankerd in onder meer de AOD’s uit 1976 (matrix organisatie) en 1992, zouden louter nog gebruikt worden in communicatie-uitingen. Toch leidden deze wijzigingen intern niet tot het uitbannen van het gebruik van de aanduidingen KM, KL, KLu en KMar. Defensie is bij uitstek een organisatie die belang hecht aan tradities. De traditiecommissie krijgsmacht en de traditiecommissies KM, KL, KLu en KMar onderstrepen dat. Tradities komen tot uiting in uniformen, bij ceremoniële gebeurtenissen en op vaandels en standaarden en leven voort in de namen van militaire organisaties, eenheden en schepen. De term koninklijk is voor velen meer dan een bijvoeglijk naamwoord: het verwijst naar de band die het krijgsmachtdeel heeft met het staatshoofd. Dat de naam van marineschepen, gecommandeerd door een officier, nog steeds wordt voorafgegaan door de toevoeging ‘Zijner Majesteits’ is een mooi voorbeeld hoe innig de band is tussen het krijgsmachtdeel en het koningshuis. Het is immers de regering, bestaande uit de koning en de ministers, die het oppergezag heeft over de krijgsmacht. Daarom waren de naamsveranderingen van de krijgsmachtdelen in 2005 voor velen niet alleen pijnlijk, maar ook geen toonbeeld van het handhaven van tradities.

De naamswijzigingen van 2005 hadden niet slechts het doel te breken met tradities. Met de beleidswijzigingen uit de Prinsjesdagbrief 2003 werd de autonomie van KM, KL, KLu en KMar aan banden gelegd. De hoogste bazen van de krijgsmachtdelen zouden niet langer bevelhebber zijn van een zelfstandig krijgsmachtdeel, maar commandant worden van een operationeel commando Zeestrijdkrachten, Landstrijdkrachten, Luchtstrijdkrachten en Koninklijke Marechaussee (dat dan weer wel). Wat betreft de marine, landmacht en luchtmacht werden zij – formeel met het ministerieel besluit AOD 2005 –  verantwoordelijk voor gereedstelling, instandhouding, nazorg en recuperatie van de operationele capaciteit. Ten opzichte van het voorgaande AOD uit 1992 ontbrak in die taakstelling ‘het met inachtneming van de aanwijzingen en richtlijnen van de minister voeren van het bevel over de Koninklijke Marine (respectievelijk Landmacht en Luchtmacht) bij feitelijk militair optreden’. Die laatste taak ging in 2005, samen met de sturing op en het opstellen van het Defensieplan, over op de Commandant der Strijdkrachten.  

Wellicht onbedoeld, maar met het AOD 2005 en bevestigd in het AOD 2013 (laatstelijk herzien op 31 mei 2018), kent het ministerie van Defensie geen koninklijke defensieonderdelen meer. Dat bevestigt het overzicht van organisaties op de webpagina van Het Koninklijk Huis, waarin marine, landmacht, luchtmacht en marechaussee schitteren door afwezigheid. Dat wil overigens niet zeggen dat deze organisaties deze kwalificaties ten onrechte dragen. Hieraan liggen immers Koninklijke Besluiten ten grondslag. Laatstelijk dat van 11 maart 1953, waarmee de luchtstrijdkrachten – behalve die van de zeemacht – voortaan de naam Koninklijke Luchtmacht mochten voeren. Des te vreemder dat die namen in 2005 zo abrupt in de ban gedaan zijn.

Dit betoog is geen pleidooi om de toestand van voor 2005 te herstellen, maar wel een oproep om de naamswijzigingen van 2005 definitief te herstellen en te repareren. ‘Waardeer het. Repareer het’ is een recente campagne van de Stichting Ideële Reclame (Sire) om mensen na te laten denken over de waarde van hun spullen. De oproep om na te denken over de waarde van de naam van onze vier belangrijkste defensieonderdelen sluit bij die gedachte aan. Die organisaties is ooit het predicaat Koninklijk verleend en dat moet niet verworden tot een communicatie-uiting als gevolg van een organisatie- of beleidswijziging.

Waardeer het dat de krijgsmachtdelen al zo lang een innige band met het koningshuis onderhouden en dat veel militairen en burgermedewerkers trots zijn op het predicaat Koninklijk. Repareer het omdat in 2005 de namen van de krijgsmachtdelen te snel zijn veranderd in operationele commando’s. In de Rijksbegroting 2020 heeft de minister daarvoor een goede eerste aanzet gegeven. Daar waar het AOD 2013 nog spreekt van 7 defensieonderdelen, waaronder de vier operationele commando’s, meldt de Memorie van toelichting bij hoofdstuk X van de Rijksbegroting 2020 dat de krijgsmacht bestaat uit 7 organisatiedelen, waarvan 4 krijgsmachtdelen: Koninklijke Marine, Koninklijke Landmacht, Koninklijke Luchtmacht en Koninklijke Marechaussee.[2] De Koninklijke krijgsmachtdelen zijn terug van weggeweest en niet alleen als communicatie-uiting. Nu alleen nog het AOD repareren, zodat de krijgsmachtdelen ook weer in formele zin de naam dragen die ze verdienen.

De naamswijziging van de beleidsartikelen in de Rijksbegroting is geen voetnoot in de begroting, maar een signaal dat het ook de minister ernst is met de Koninklijke status van de krijgsmachtdelen. Daarom: waardeer het. Repareer het.

 

[1] Zie: Memorie van toelichting bij de vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2020, vergaderjaar 2019-2020, 35 300 X, nr. 2. Blz. 7.

[2] Zie: Memorie van Toelichting bij de vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2020, vergaderjaar 2019-2020, 35 300 X, nr. 2. Blz. 4.