Johannes van den Bosch: bejubeld en verguisd

De gastcolumn van Vilan van de Loo over Johannes van Heutsz[1] was mij uit het hart gegrepen. Evenals Van Heutsz is Johannes van den Bosch (1780-1844) in de negentiende en twintigste eeuw als schurk betiteld, vooral vanwege de invoering van het Kultuurstelsel op Java en Sumatra onder zijn gouverneurschap, maar hij is tijdens zijn leven ook bejubeld als held en lichtend voorbeeld. Dát predicaat had hij vooral te danken aan de Maatschappij van Weldadigheid, waarvan hij de oprichter was in 1818 en, en dat is veel minder bekend, aan de eerste stappen tot afschaffing van de slavernij in Suriname in 1828. Dat laatste was een brug te ver voor de stakeholders van die tijd.

In mijn biografie over Johannes van den Bosch, die in september 2019 verscheen, heb ik deze maatschappelijk zeer betrokken militair, staatsman, auteur, landbouwkundige en oprichter van het KNIL voor het voetlicht gehaald. Zonder per se zelf te hebben willen oordelen over zijn leven en daden is het altijd mijn intentie geweest om de lezer handvatten te geven om, met die informatie en met mijn keuzes, een oordeel over Van den Bosch te kunnen vellen. Mensen mogen hem wat mij betreft een schurk vinden, of hem bejubelen als een held, of hem gewoon negeren. Maar ik hoop dat ik me met mijn zeer grondig gedocumenteerde biografie van mijn ‘plicht’ als historicus en biograaf naar beste eer en geweten gekweten heb door Van den Bosch te plaatsen tegen de achtergrond van zijn tijd.

Johannes van den Bosch, Herwijnen 2 februari 1780, is eind achttiende eeuw opgeleid als genieofficier. In de eerste jaren van zijn carrière werkt hij in die hoedanigheid op Java en de Molukken. Terug in Nederland is hij in 1813-1814 actief om Utrecht en Naarden te ontdoen van de Fransen, om vervolgens in dienst van het ministerie van Oorlog de werving van militairen voor de legers in de Oost en de West ter hand te nemen. Een van zijn wapenfeiten is de oprichting van het werfdepot in Harderwijk in 1815. Hij maakt naam door de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid in 1818, en vanwege zijn opeenvolgende functies als commissaris- en gouverneur-generaal in zowel de West als de Oost, als minister van Koloniën, minister van staat en Tweede Kamerlid, tot aan zijn dood op 28 januari 1844.

Het militaire apparaat kan voor jongens die niet met een gouden lepel in hun mond geboren zijn hét opstapje betekenen naar een loopbaan met kansen om op de sociale ladder te stijgen. Van den Bosch zelf is daar het levende bewijs van. Zijn hele leven beijvert hij zich om de arbeidsomstandigheden van militairen én burgers, vrij en onvrij, te verbeteren: een goede opleiding, gezondheidszorg, huisvesting, voeding, kleding en een passende beloning. Voor Van den Bosch is er na zijn overlijden in 1844 nooit een standbeeld opgericht, vanwege de slechte pers die hij had. Nu moet ik meteen vertellen dat ik niet zo voor standbeelden ben. Voor mij hoeft dat allemaal niet zo. Maar als er rond 1860 een lobby in gang wordt gezet voor een standbeeld scherpen criticasters onmiddellijk hun pennen voor een tegenlobby.

Multatuli schrijft in 1862 dat hij onder anderen Van den Bosch voor ogen had bij het schrijven van zijn Max Havelaar (1860), ‘die, men ziet het, al zeer goedkoop den naam van een genie heeft verkregen’.[2] Een van Van den Bosch’ opvolgers als gouverneur-generaal, Jean Chrétien Baud, schaart zich achter de critici. Twee jaar voor de publicatie van de Max Havelaar vereert koning Willem III Baud nog met de adellijke titel van baron vanwege, notabene, zijn verdiensten op het terrein van het Kultuurstelsel. En Baud, de pupil die in de voetsporen van Van den Bosch treedt, aanvaardt die titel zonder blikken of blozen.

Voor Jan Pieterszoon Coen en van Johannes Benedictus van Heutsz zijn er wel standbeelden opgericht op Java en in Nederland. Het maakt hen zichtbaarder, kwetsbaarder welhaast. En natuurlijk zijn het allemaal schurken en voor sommigen nog steeds helden. Coen, Van den Bosch en Van Heutsz hebben veel teweeggebracht, hebben veel leed veroorzaakt, zijn door ruiten en roeien gegaan, vele slachtoffers achterlatend. Dat is nooit goed te praten. En dat doen we als historici ook niet. We praten niet goed. We laten zo goed en zo kwaad als we kunnen de bronnen aan het woord, inclusief de stemloze bronnen, die we vaak tussen de regels door moeten zien te lezen, begrijpen en duiden. De tot slaafgemaakten op de Banda-eilanden (Coen), de onvrije, semi-vrije arbeiders en tot slaafgemaakten onder het Kultuurstelsel (Van den Bosch), de inwoners en strijders in Atjeh (Van Heutsz) hebben nog steeds geen welluidende stem in de geschiedschrijving. Laten we daar met ons allen werk van maken.

Geschiedenis en geschiedschrijving zijn nooit of te nimmer neutraal of objectief. Het doet me deugd dat er steeds meer studies en boeken verschijnen die de complexiteit van die, doorgaans eenzijdig belichte, geschiedenissen van al die mensen voor het voetlicht halen met wie we een gedeeld verleden hebben, met wie we genen delen, met wie we verbonden zijn door vreugde, leed en gemeenschappelijke verhalen.

 

[1] Vilan van de Loo, ‘Van Heutsz aan het woord: hoor en wederhoor’, in: Militaire Spectator 187 (2018) (2) 124-125.

[2] Multatuli (ps. van Eduard Douwes Dekker), Over vrijen arbeid in Nederlandsch Indië en de tegenwoordige koloniale agitatie (Amsterdam, R.C. Meijer, 1862) 38-39.